02-08-04

Korte introductie tot de grondlegger Saint-Simon

1. Inleiding

Saint-Simon is 1 van de meest onderschatte 19de eeuwse filosofen; zijn invloed is van groot belang voor de verdere uitbouw van de maatschappijfilosofen en hij was de waarlijke proto-socialist. De context waarin hij zijn werken schreef, is zeer belangrijk. Het was de periode, het eerste kwart van de 19de eeuw, waar de Verlichtingsideeën meer varianten kreeg en waar het conservatisme weer de kop opstak. Zijn ideologie zou mede toe dragen dat in het befaamde jaar 1848 er een socialistische revolutie in de straten van Parijs plaatsvond, onder leiding van Louis Blanc. Het is geen toeval, dat deze ideologieën juist in Frankrijk plaatsvonden: de onderzoeker hoeft alleen maar ‘Reflections on the French Revolution’ van Edmund Burke open te slaan, om te beseffen hoe explosief de situatie na het Congres in 1815 zou blijven in Frankrijk. Engeland was zich terdege van bewust, dat er alleen door geleidelijke constitutionele hervormingen een revolutie in eigen land kon vermeden worden. De vraag blijft open of Burke zijn historisch gelijk krijgt; het lijkt logisch dat alleen door de hervorming van het bestaande staatsbestuur een stabiele maatschappij kan opleveren: “…Een staat die elk middel tot verandering mist, mist de middelen om zichzelf in stand te houden. Zonder dergelijke middelen kan deze staat zelfs het risico lopen dat deel van de grondwet kwijt te geraken dat hij zorgvuldigst wenst te bewaren. Twee principes, conserveren en corrigeren, waren uiterst werkzaam tijdens de twee kritische perioden van de Restauratie en de Revolutie, toen Engeland zonder koning zat. In beide perioden had de natie de eenheidsbanden in hun oude vorm verloren; maar men haalde niet het gehele gebouw omver. Integendeel, in beide gevallen herstelde men het gebrekkige deel van de oude grondwet door middel van de delen die niet aangetast waren….”1

1848 zou ook de tijdelijke dood betekenen van de progressieven, de Saint-Simonisten vielen uit elkaar in ‘sektarische’ bewegingen: eentje was zelfs christelijk fundamentalistisch, waardoor Saint-Simon zelfs voor de kerk een aanvaard figuur werd. Een ander zou de ideeën van Proudhon, Blanc, Fournier e.d. onder één geheel brengen en een vergevorderde egalitaire technocratie uitwerken. Comte zal de geschiedenis ingaan als de bekendste leerling, iets wat dus geen waarheid bevat. Er kan dus gerust gesproken worden van revisionisme; alleen de ‘Saint-Simonisten’, meestal naamloos, waren de enigen, die een degelijk uitgewerkt plan uitdachten, alhoewel er al soms al een kloof ontstond tussen hun meester en henzelf. Het belangrijkste boek van deze groepering was ‘The Doctrine of Saint-Simon: an exposition’.

Een grote misvatting gemaakt door veel filosofen moet eerst en vooral uit de wereld worden geholpen: Saint-Simon had een geheel ander wereldbeeld dan Comte. Allebei worden ze gerekend tot de technocraten, maar Saint-Simon was duidelijk te plaatsen aan de linkerzijde in tegenstelling tot Comte, die duidelijk liberaalconservatief was. De egalitaire technocratie was de ideologie van Saint-Simon: het was een samenlevingsmodel waar onder leiding van deskundige wetenschappers een hoogtechnologische ontwikkeling moest plaatsvinden. Het moeilijke van de ideologie is balanceren tussen de meritocratie van de wetenschappelijke middens en het inspraakrecht van de arbeiders, iets wat Comte nooit zou toestaan.

Tenslotte moet er worden onderstreept, dat de onderzoeker een breed scala aan denkers naast Saint-Simon heeft geplaatst. Het zijn allemaal contemporaire varianten, maar elk levend in een ander politiek spectrum: Edmund Burke (Oerconservatisme), Karl Marx (Oercommunisme), Auguste Comte (Positivistisch/technocratisch liberaalconservatisme).

2. Evolutionisme & Klassenanalyse

Zowel Marx als Saint-Simon ontwikkelden een evolutionair model, met indeling van contemporaine klassen. Het leek voor de onderzoeker voordelig om de 2 analyses naast elkaar te leggen, en verbijsterd te staan over enkele parallelle conclusies van deze zeer invloedrijke denkers.

Marx’ klassenanalyse/klassenbegrippen - maatschappijevolutie

Evolutie van de maatschappijvormen, gebaseerd op een wetenschappelijke analyse van socio-economische factoren:

  1. Oercommunisme: deze vorm van samenleven kan een historicus gelijkschakelen aan het paleolithicum: er is geen bewuste vorm van bezitten, omdat er geen sedentarisatie of urbanisatie is, die maar voorkomen vanaf 8000 v. Chr. in het Midden-Oosten. Er is een duidelijke groepsgerichte productie voor de elementaire levensbehoeften te bevredigen, er is geen sociale stratificatie of leiderschap. Deze ware egalitaire levenswijze houdt de productie- & arbeidsverhoudingen in evenwicht, waardoor er in het oneindige kan voortgeleefd worden. Hierbij moet het principe van solidariteit benadrukt worden op basis van herverdeling, waar marktverhoudingen en winstprincipes onbestaande zijn.
  2. Slavernij: Hier bezit de ene groep de arbeidskrachten van andere groepen, geconstrueerd rond een ideologie van theocratie, vergoddelijkte heersers & religieus verantwoorde uitbuitingen. De economische activiteiten worden geconcentreerd om een hogere productie te verkrijgen, waarbij slaven als verhandelbaar goed worden beschouwd; de slaven worden dus menselijk kapitaal, naast en binnen een eventueel monetair stelsel. Vergoedingen voor de bewezen arbeid is nihil, waardoor er een grote contradictie bestaat tussen arbeid en het bezit van de geproduceerde goederen
  3. Lijfeigenschap: Hierin wordt de notie grondbezit het meest elementaire gegeven binnen het economisch stelsel, de lijfeigenen worden geërfd te samen met de grond. Het is voornamelijk een agrarische levenswijze geïmplementeerd in het economisch productiesysteem. De rechtvaardiging wordt opnieuw ontwikkeld door de machtsbezitters, er hoeft niet a priori een religieuze boodschap achter te zitten: de ideologie specificeert zich door recht en jurisdictie als alleenbezit te beschouwen. De vergoeding is meestal minimaal, er wordt alleen voldaan aan de elementaire levensbehoeften, uitbetaald in natura. De notie kapitaal-grootgrondbezitters is dus van primair belang, maar meestal zijn de afzonderlijke gemeenschappen autarkisch, waar handel geen noemenswaardige plaats inneemt.
  4. Kapitalisme: kan worden onderverdeeld in a. Mercantiel kapitalisme / ruraal kapitalisme (kenmerkend voor de 2 eerste industriële revoluties) b. Industrieel kapitalisme (in volle expansie vanaf 1750) c. Kredietkapitalisme (deze heeft Marx niet gekend, maar het leek de onderzoeker logisch om het te vermelden, omdat het systeem nu de volledige dictatuur van de beurs kent, waar virtuele kapitalen worden verhandeld, etc…). De productie is gebaseerd op het principe van kapitaalcumulatie, waar er een vervreemding is tussen arbeider en het productieproces. Het kapitaal is in handen van een elite, waarbij de arbeider niet profiteert van de handelswinsten. Alleen de Westerse wereld kent dit systeem, en wordt door rechtse economen (bv.Friedman (universiteit van Chicago, jaren ’70, invloedrijk door zijn theoretische ontwikkeling van het Reaganisme als neoliberaal reactionisme op de verzorgingstaat van het Keynesianisme) & Rostow) als summum van een beschaving aanzien.
  5. Communisme: een waarlijk egalitair stelsel, waarbij zelfbeschikking en zelfbeheer van de economische factoren maximaal zijn. Er wordt kom af gemaakt met de bevoorrechte positie van klassen (reactie tegen het burgerlijk liberaalconservatisme). De sociale orde & herverdeling zijn ook kenmerkend voor het oercommunisme, de arbeids- & productieverhoudingen zijn in evenwicht.

Een belangrijke term om vooral de 2 laatste fases te analyseren is de dialectische methode, hierin kan een maatschappij worden ingedeeld in verschillende componenten:

  1. Infrastructureel: a. natuurlijke rijkdommen, zoals ook Ricardo dit aangaf als elementaire noodzaak om een rijke handelsstaat te vormen. b. het kapitaal, meestal in de vorm van een monetair stelsel en de nadruk op technologische innovaties van machines. c. Arbeid
  2. Suprastructureel: a. Productie- & productieverhoudingen b. Een overkoepelende ideologie & klassenbewustzijn.

De klassen binnen de verschillende periodes kunnen rudimentair als volgt worden ingedeeld: 1. De bezittende klasse, door de dictatuur van het kapitaal kan zij haar positie bewaren. Deze wordt in het kapitalisme weerspiegeld door de bourgeoisie, die het proletariaat uitbuit: "De burgerij kan niet bestaan zonder de productie-instrumenten, en dus de productieverhoudingen, en dus het geheel van de maatschappelijke verhoudingen voortdurend te revolutioneren. De onveranderde instandhouding van de oude productiewijze was daarentegen de eerste bestaansvoorwaarde van alle vroegere industriële klassen. De voortdurende omwenteling van de productie, het onafgebroken dooreenschudden van het hele sociale systeem, de eeuwige onzekerheid en onrust onderscheidt het burgerlijk tijdperk van alle andere. Alle vaste, ingeroeste verhoudingen met hun nasleep van traditionele eerbiedwaardige voorstellingen en opvattingen vergaan. De nieuw gevormde verhoudingen verouderen voor ze kunnen verstenen. Al het vaststaande en eeuwige gaat in rook op, al het heilige wordt ontwijd, en de mensen zijn eindelijk gedwongen hun levensomstandigheden, hun onderlinge verhoudingen met nuchtere ogen te bekijken."2

2. De bezitsloze klasse, geconceptualiseerd onder de term proletariaat (in de steden de arbeidersklasse). Deze zal door middel van een revolutie de macht grijpen om uiteindelijk het klassensysteem op te heffen: een egalitaire maatschappij, waarbij productie, arbeid & producten in een gelijkwaardige relatie staan.

Saint-Simons klassenanalyse/klassenbegrippen – maatschappijevolutie

Saint-Simon kende een evolutie van een proto-liberaal (links-liberaal) klassebegrip onder invloed van de 18deeeuwse Verlichtingsdenkers, die duidelijk nog zeer positief bourgeoisie was. Dit liberaal-burgerlijk klassebegrip zal evolueren naar een proto-socialistisch klassebgrip, omdat het egalitaire element de bovenhand neemt.
De deling van de maatschappij in klassen beschouwt hij al vroeg als invalshoek voor de kennis van het historisch proces. Ook hij koos voor een wetenschappelijke analyse om de evoluerende maatschappijvormen te classificeren, alhoewel er een dialectische conflictsituatie zoals bij Marx niet wordt vermeld. Aanvankelijk deelde hij de maatschappij in drie klassen in.

  1. De eerste klasse bestond uit de vooruitgangsdenkers, waar hij ook zelf behoorde. Zij bestaat uit academici en kunstenaars, begeesterd door de liberale verlichtingsideeën.
  2. De tweede klasse was in wezen conservatief in de breedst mogelijke zin (lees: economische): zij bestond vooral uit grootgrondbezitters, die geen boodschap hadden aan technologische vooruitgang of de nieuwe filosofische richtingen. Dit is een zeer Franse analyse: Frankrijk liep behoorlijk achter in de technologische race, omdat de grootgrondbezitters geen graten zagen om hun bescheiden kapitaal te investeren in industriële ontwikkelingen. Zij zullen blijven teren op de ancien-régime-ideologie, waardoor er een provincialistische tendens ontstond. zij bestond uit bezitters die niet tot de eerste klasse horen en die 'geen veranderingen' in hun blazoen hebben geschreven - de vraag of het om feodale grondbezitters of om kapitalisten gaat, speelt hier nog geen rol.
  3. De derde klasse was de vragende partij om de egalitaire maatschappij: gelijkheid moest de basis vormen van het samenleven: zij bestond uit alle bezitlozen die door de eigenaars van grond en kapitaal worden uitgebuit.

De Verlichting werd het centrale punt in de technocratie van Saint-Simon: de rede zou de leidraad zijn voor de meest getalenteerden uit de eerste klasse, die een wereldregering zouden vormen. Saint-Simon geloofde in hun superieure wetenschappelijke inzichten en politieke-morele progressiviteit, wat noodzakelijk was om maatschappelijke hervormingen door te voeren. Het motto was dan ook niet toevallig:'Ruimte voor de Archimedessen!' Een uiterst belangrijke en dringende taak was daarbij de verlichting en educatie van de laagste klasse. De verzorgingsstaat werd op het voorplan gesteld; hij zag in dat alleen door een verbetering van de toestand van deze mensen er een economische groei kon bewerkstelligd worden. Hij vertrouwde erop dat de bourgeoisie en grootgrondbezitters de redelijkheid van zijn voorstellen zouden inzien, waardoor zij hun alleenheerschappij zouden opgeven en de macht zou plaatsen in handen van de academici met de inspraak van de onderste klassen. Saint-Simon was er vast van overtuigd, dat er niet alleen behoefte bestond aan een ‘politieke’ wetenschap, die de maatschappelijke ontwikkeling zou voortstuwen, maar dat deze ook een mate van betrouwbaarheid zou bereiken. Het positivistische ideaal werd voorop gesteld, waarbij de methode van de natuurwetenschappen als leidraad werd genomen. Het systeem en denken van Newton zou het gehele sociaal-wetenschappelijke en politieke kennisbestand in één uniform systeem onderbrengen.

Hij was niet alleen getuige van de opgang en de val van het Napoleontisch keizerrijk, gevolgd door de Restauratie, maar ook van de snelevoluerende maatschappij door de industriële revolutie met een toenemende druk van de verpauperde, bezitsloze massa. Deze kennis begint zijn historische weltanschauung en politieke visie te veranderen. De liberale burgerij begint meer en meer de onderdrukker te worden van de naamloze massa. Hij begint de geschiedenis te analyseren als een historisch proces, waarin de klassen de belangrijkste actoren waren. Het evolutiedenken is een feit geworden, er kan vanaf dan een duidelijke vergelijking worden gemaakt met de Marxistische methode. Hij doet een eerste poging om het ontstaan van de klassen in Frankrijk te verklaren. Zoals het Marxisme wordt de productie van goederen een centraal gegeven, waarbij economische verhoudingen de maatschappij bepalen: "De beste maatschappelijke orde is die, welke de levensomstandigheden van de meerderheid van de mensen in de maatschappij zo gunstig mogelijk maakt, doordat zij hen zoveel mogelijk middelen en mogelijkheden verschaft om hun fundamentele behoeften te bevredigen."

Het resultaat wordt neergeschreven in een casus omtrent de Frankische feodaliteit, een visie dat zeer doet denken aan de Annalesschool 100 jaar later. Hij bekijkt de hele geschiedenis van West-Europa sinds de 15de eeuw vanuit de economische verhoudingen, waarbij uitgegaan wordt van de klassieke visie over de Middeleeuwen maatschappij als resultaat van veroveringen. Hij veronderstelt dat het feodale systeem werd gevestigd door de Franken, die de Galliërs een klassensysteem oplegden, 1 van de vele foute historische veronderstellingen in begin 19deeeuw. Het is niet de fout van Saint-Simon dat de geschiedschrijving een foute analyse gaf, ook de visie over de klassieke wereld werd hevig herschreven en geromantiseerd. De Franken waren de heersende klasse op grond van hun rol als organisatoren van de productie. Wat wel klopt is dat bv. de Visigoten in Spanje een aparte klasse stand vormden in de vroeg-middeleeuwen: deze kenden geen acculturatie met de autochtone bevolking en legden hun suprematie op. In dat opzicht is het idee niet zo ridicuul. Maar vervolgens neemt zijn analyse een onverwachtse wending: hij waardeert het feodale systeem als progressief, omdat de heersende feodale klasse hun taak als organisatoren van de productie vervulden tot de 15deeeuw. Deze klasse verloor hun bevoorrechte plaats, omdat ze hun productieve rol misbruikten en de maatschappij deed verstarren; ze werden de parasieten van de lijfeigenen. Er wordt een duidelijke analogie getrokken met de 19deeeuwse situatie in Frankrijk, waar de grondadel ook in een diepe slaap belandde en zich wentelde in de eeuwenoude voorrechten. Wanneer de verlichting tracht haar macht te breken om de samenleving te laten evolueren, wordt zij een reactionaire macht. De opkomende burgerij onder de steeds toenemende urbanisatie, waar dus het accent van platteland naar stad werd verhuisd, zou deze taak als productieorganisator steeds meer moeten overnemen. Deze industriëlen, bekeken als een aparte klasse, moet de motor worden om de maatschappij op een volgend niveau te tillen. De aristocratie heeft geen rol meer in de samenleving; ze moet in haar geheel als klasse worden afgeschaft. De burgerij wordt met haar liberale & libertijnse gedachten de gangmaker van de industrie: hij eist staatsmacht voor de industriële klasse en roept ze op om de verzorgingsstaat te stichten.

De industriële klasse bestond uit een heterogene mengeling van groepen die direct of indirect in contact stonden met de industrialisatie: fabrikanten, arbeiders, bankiers, kooplieden en zelfs de kunstenaars, die met hun producten de industrie bezielden. Er wordt dus nog geen duidelijke klassenanalyse gemaakt over de meer ingewikkelde industriële maatschappij, waar bezit en arbeid het centrale punt zijn. Hij is nog teveel gefixeerd op het komaf maken met het Ancien Regime en de aristocratische stand. Hij ziet dus nog niet dat er een nieuwe klassenconflict in de maak was ontstaan en dat de parameters van dat conflict verschoven waren.

Door de economische crisis van 1815 en de weerbarstigheid van de oude instituties onder de vorm van de Restauratie neemt hij afstand van de burgerlijk-liberale maatschappijvisie. Een planeconomie en de relatie tussen ethische tendensen en klassenverschillen komen op de voorgrond. De klassenstrijd krijgt weliswaar nog een moderne vorm van liberale ideologie, waarbij de organisatie van de productiefactoren van primair belang zijn. De arbeiders in de steden moeten onder leiding van de technocraten zich organiseren en een plan ontwikkelen om zo efficiënt mogelijk concepten te bouwen over de verbetering van de instellingen van openbaar nut. Saint-Simon begint een duidelijker concept te vormen over de bezitsloze klasse, en heeft bepaalde overeenkomsten met het concept ‘proletariërs’ van Marx. Hij wil de onmondige massa omvormen tot een geëmancipeerde groep. Maar in tegenstelling tot Marx radicaliseert hij niet naar het model van een noodzakelijke revolutie om de klassenstrijd te beslechten, maar hij benadrukt wel de primaire factoren van een radicaal socialistische analyse. Hij formuleert de noodzaak om de privileges van de bevoorrechte klassen te verwijderen, er moet komaf worden gemaakt met elk machtsmisbruik van welke klasse dan ook. Hij probeert weliswaar geen echte theorie van klassenstrijd te ontwikkelen, maar formuleert wel hoekstenen van een radicaal socialistisch perspectief. Saint-Simon had dus een dubbelzijdige houding tegenover de burgerij: zij was tegelijk de uitbuiter van de proletariërs, maar ook de gangmaker van de technologische evoluties. Zonder haar zou de samenleving stagneren en zelfs in een diep verval terechtkomen. Hij was een grote tegenstander van de aristocratie, die geen enkel wezenlijk nut meer had. De burgerij was van essentieel belang, de aristocratie en de clerus helemaal niet. Het is dan ook logisch dat Saint-Simon een grote tegenstander was van de aristocratie.

In zijn laatste levensjaren, grosso modo van 1815 tot 1825, is er dus duidelijk een verschuiving: het burgerlijk liberalisme wordt afgeschaft, het proto-socialisme komt op het voorplan. Zijn geloof in het kapitalisme werd gebroken tijdens dezelfde crisis van 1815, waar hij kennismaakte met de wet van de vertragende progressie binnen het kapitalisme. De technocratische oplossingen werden genegeerd door de burgerij, omdat ze verblind zijn door hun winstbejag. De rol van de vernieuwers wordt niet overgenomen door hen. Hij blijft hameren op de taak van de industriëlen om de mensheid te helpen. Alleen door hen kan er een technocratie tot stand komen. Hij sticht het tijdschrift ‘L’industrie’ vanaf 1817, maar na 4 nummers wordt het blad al stopgezet: de donateurs, voornamelijk de burgerij, beschouwt hem als een subversief element en het repressieve Bourbonregime dreigt hem zelfs te muilkorven. Hij wordt aardig op de korrel genomen vanwege zijn aanvallen op de koninklijke monarchie en de ‘ketterse’ visie over de religie. Dat laatste ziet hij als een verouderde ethiek; de katholieke moraal moet vervangen worden door een wetenschappelijke versie, waarbij de burgerij hun taak moet aanvaarden volgens deze ethiek. Dit botst met de kapitalistische uitgangspunten, waar winst domineert over ethische kwesties. Hij stelt dus openlijk de christelijke moraal aan de kaak en weerlegt de onfeilbaarheid van God. De heerschappij van het christendom is voorbij, maar helaas begint meer en meer de reactionaire burgerij zich te wenden tot de religieuze invloedssfeer. Dit werd door hem aanzien als het verraad van de Verlichting. De burgerij kan of wil niet hun taak als vernieuwer vervullen. De economische bloei tussen 1820 en 1830 bracht ongekende winsten voort voor de bankiers en industriëlen. Saint-Simon vond het een vanzelfsprekendheid dat zij beschaafder en onbaatzuchtiger zouden worden, dat zij zouden de technocratie stichten onder leiding van de academici, waarbij de bezitsloze klasse eindelijk de rechten zou krijgen dat zij verdiende. Ook moest toen de aristocratie voorgoed uitgeschakeld worden en de winsten moesten herverdeeld worden onder de laagste klassen. Deze verwachtingen werden niet ingelost. De wetenschappers werden ingehuurd door de spitsnijverheid, waardoor zij werden vastgeketend aan de bedrijfsethiek, waardoor zij geen leiding kon geven. Het verantwoordelijkheidsgevoel voor de arbeiders verdween totaal, een sociale genocide was in de maak (Daensiaanse taferelen). De gigantische verrijking leidde alleen maar tot hogere winstverwachtingen, de arbeidersklasse bleef in de kou staan en werd zelfs gekweld door een werkloosheid tijdens een hoogconjunctuur. Er was dus duidelijk meer aan de hand dan een structurele werkloosheidsfactor. De kloof tussen rijk en arm was dus nog een stuk groter geworden, Saint-Simon werd een paria binnen de klasse van de gegoeden. De socio-economische verschuivingen, gecombineerd met nieuwe politieke klassen, zorgden ervoor dat het utopisch ideaal van Saint-Simon plaatst maakt voor een duidelijkere kijk op klassenverhoudingen. De utopie over de burgerlijke missie was een nachtmerrie geworden, hij klaagde merg en been over de apathie en winsthonger van deze groep. De arbeidersklasse zou vanaf nu deze rol moeten overnemen.

Opmerkingen:

  1. De onderzoeker heeft getracht in de werken van Marx de plaats van de wetenschap terug te vinden; het is niet duidelijk wat Marx zijn intenties waren met maatschappelijke rol van de wetenschap. Alhoewel hij zeker niet zou akkoord gaan met het technocratische visie over de maatschappij, legde hij ook de nadruk op de industrialisatie als centraal punt.
  2. Saint-Simon & Marx waren de eerste die de industrie als de spitsnijverheid & de essentie zagen van de maatschappij; Fournier had een andere visie, geconcretiseerd in zijn Phalanstère: zijn utopisch socialisme bestond uit kleine, ideaal samengestelde gemeenschappen, waarvan ieder lid voor de gemeenschap zou werken en waar de gemeenschap ieder lid van het noodzakelijke zou voorzien. Het agrarische element is dominant, waardoor het terecht als een utopische ideologie kan beschouwd worden.
  3. De sociale organisatie in een technocratische staat 2 invullingen krijgen: een directe democratie of een gemengde constitutie. Saint-Simon was voorstander van het eerste: alle inwoners kregen jaarlijks het recht om te stemmen, als individuen, in een partijloze staat. Zij mochten de 5 beste fysici, wiskundigen, astronomen, chemici, fysici en gamma-wetenschappers aanduiden. Deze 30 verkozenen kregen het gezelschap van 5 mensen uit de alfa-wetenschappen en tien vertegenwoordigers uit de industrie (huidige vertaling: economisten). Een andere versie van constitutionele invulling is de gemengde constitutie: er is een verdeling tussen intern aangeduide academici volgens een meritocratisch principe, en een particratie/democratie in klassieke zin.Een ander probleem waar vele stromingen mee kampen is het substitutisme. De laatste 100 jaar was dit dan ook 1 van de strijdpunten binnen de diverse marxistische stromingen. In hoeverre kan "de partij" een klasse of maatschappij vertegenwoordigen? Mensen zoals Trotsky (tot de periode toen Lenin stierf) spraken over de eenheids-arbeiderspartij, die de arbeidersklasse moest vertegenwoordigen en eigenlijk een organisch geheel vormen met de gehele egalitaire maatschappij. Algauw bleek dat de partij een vervormde afspiegeling te zijn van haar vertegenwoordigde klasse. En hoe groter deze eenheid, hoe groter de vervorming. Het bleek dat intellectuele vrijheid moest gewaarborgd worden om niet te vervallen in een partijstaat. Lenin kon geen oplossing bieden, alhoewel er werd geëxperimenteerd met een evenwicht tussen lokale specialisten en politieke partijvertegenwoordigers. Maar dit werkte alleen maar voor de exacte wetenschappen, en dan nog in maar bepaalde mate. De technocratie gelooft dan ook in het model van de gemengde constitutie als betere variant van het leninistisch model.

    In het onderzoek moet ook worden gevraagd naar de individuele aanpassing van de arbeider aan het kapitalisme. Op microniveau is dit deels te verklaren door volgend proces. 1. Men moet beseffen dat het kapitalisme is gestoeld op concurrentiezin tussen personen. Dit idee is op cultureel/ideologisch niveau gecreëerd. Concurrentie moet worden aangevoeld als iets natuurlijks, het kapitalisme moet de uitstraling hebben van een eeuwigdurend systeem. 2. Wanneer een mens weigert dit maatschappelijk rollenpatroon te dragen, zal deze worden gemarginaliseerd 3. Binnen een job zal de persoon ook worden gechanteerd. De vervreemding van de arbeidsdeling wordt vervangen door een schijnsolidariteit: de medewerkers eisen volledige medewerking en brandmerken elk verzet als een daad tegen de interne bedrijfssolidariteit. Dit is dus een perverse manier van chantage, waardoor de arbeider onbewust wordt gebonden aan een bepaalde werkethiek (en dit is ook maar een evolutie van de afgelopen 400 jaar) 4. Verdeel en heers-strategie van het kapitalisme op de werkvloer: het hyperindividualisme en specialisme tracht het algemeen klassenbewustzijn te breken en werknemers tov elkaar op te stellen. Dit vindt vooral plaats door bepaalde beroepscategorie te bevoordelen op gebied van loonstijgingen. Deze doelbewuste strategie gaat hand in hand met de verdere evolutie van het laatkapitalisme, technologie bepaalt ook deze evolutionaire situatie. De verdeling tussen arbeider en bediende is daar een tekenend voorbeeld van. Ja, het werk is meer divers geworden, maar dit betekent niet dat structureel gezien een bepaalde groep opeens de controle krijgt over de productiemiddelen. Het kapitalisme tracht dus een schijnverhouding op te werpen, waardoor het klassenbewustzijn verdwijnt. Het individualisme en de prestatiemaatschappij zorgen voor het verdwijnen van ethische bezwaren betreffende de groeiende loonsongelijkheid tussen de verschillende beroepscategorieën.

3. Kunst

Saint-Simon was een groot bewonderaar van de classicistische idealen van de Grieken: de schoonheid van de kunst was een zeer dierbaar iets. De Rede & het rationalisme uit de Verlichting was dan ook niet toevallig de meest geciteerde onderwerpen in gesprekken met de man. Het beeld van de alwijze en rationele politicus, zoals bv. Perikles, moet weerspiegeld worden in de technocratische beleidsbepalers.

Kunst kan onderverdeeld worden in 3 functies:

  1. Didactisch: het moet de mensen sensibiliseren om de noodzaak te doen inzien van een technocratische maatschappij. De onderzoeker kan gerust een analogie leggen met Bertold Brecht: deze toneelschrijver trachtte met zijn werken de massa te informeren over de sociale wantoestanden.
  2. Expressionistisch: in zijn boek 'Opinions litéraires, philosophiques et industrielles’ in 1825 werd voor de eerste keer de term avant-garde gebruikt. Er was een duidelijke relatie tussen de wetenschappelijke academicus en de kunstenaar: de kunst zal als boodschapper de ideologie uitdragen. Hierbij kan een verband worden gelegd met de ‘Sturm und Drang-bewegung’: een vitalistische verenging van sociaal geëngageerde kunstenaars kan door radicale werkmethoden grote resultaten halen. De onderzoeker gebruikt hierbij een zeer onorthodox voorbeeld: waren het niet de nazi’s die de expressionisten uit de jaren ’20 kopieerden qua vorm van propaganda? Was het niet Ernst Jünger die zich als voornaam expressionist bekeerde tot het nazisme? Deze laatste was altijd anti, waardoor hij verzeild geraakte in de meest extreme ideologie. De inpak van een filosofie achter de kunst kan dus een zeer grote impact hebben. Saint-Simon beweert dat de macht van de kunst het meest direct en rechtstreeks is: het verspreiden van nieuwe ideeën gedijt het best op een doek of op marmer. Net zoals de Akropolis zal de kunst dienen als een uitgangsbord voor het gevoel van eenheid binnen de bevolking om de nieuwe ideologie uit te dragen. Het zal een positieve macht uitoefenen over de samenleving met een soort van ‘priesterlijke taak’, het zal krachtig mee marcheren in de voorhoude van alle intellectuele vermogens.
  3. Contrareformatie-methode’: net zoals Rembrandt zal ook via grootste werken een algemene impact worden bewerkstelligd op de massa.

De onderzoeker heeft de indruk, dat er duidelijk een verschil wordt gemaakt tussen de progressieve kunst, die a-priori moeilijker te begrijpen valt, en de massakunst. Hierbij kan gedacht worden aan hedendaagse voorbeelden: conceptuele art vs. pop-art. Een zeer mooi voorbeeld van sociaal geëngageerde kunst uit die tijd is Gustave Courbet – Studio van een schilder: een samenvatting van 7 jaar als kunstenaar in een realistische allegorie. Hierbij wordt een krachtig signaal uitgezonden: de kunstenaar die enerzijds leeft in zijn geïdealiseerde wereld, vol filosofie en en denkwerk, versus de realistische wereld vol onderdrukking van de arbeider. Volgens de bescheiden mening van de onderzoeker kan dit schilderij als voorbeeldfunctie dienen over het idee van avant-garde kunst in Saint-Simons ideeën.

4. Religie

In de eerste fase van zijn denken plaatste Saint-Simon het christendom op een geprivilegieerde plaats. Hij was gecharmeerd door het mystieke denken van bv. Augustinus , de Joodse schriftgeleerden en het Oud Testament, waaruit hij enkele universele ethische regels distilleerde. Volgens de Saint-Simonisten konden de socio-economische & legislatieve problemen maar opgelost worden, wanneer de religie voldoende werd geanalyseerd. Zij stellen voorop dat het handelen en denken van de mens wordt gestuurd door een religieus besef en dat de ethische normen van het christendom wordt geprojecteerd op het morele besef van zijn daden. De religie zal de synthese zijn van concepten van de mensheid, het zal de gehele visie over de realiteit bepalen. Zij waren er zich terdege van bewust dat deze stelling inging tegen de Verlichtingsideeën:”Voltarian sarcasm and the arrogant scorn of modern materialism can dispel from some men’s heart the vague sentimentality common today. They can frighten away and confound that type of individual religiosity which in vain seeks form to express itself, but they are powerless to destroy deep conviction. Yes, gentlemen, we have come here to expose ourselves to this sarcasm and scorn. For following Saint-Simon and in his name, we come to proclaim that mankind has a religious future; that the religion of the future will be greater and more powerful than all those in the past; that it will, like those which preceded it, be the synthesis of all conceptions of mankind and, moreover, of all modes of being.”3

De Saint-Simonisten erkenden de grote vooruitgang dat de wetenschap bracht, maar zij uitten kritiek op de wijze waarop de verlichtingsdenkers omsprongen met het sociale en educatieve karakter van de priesters. En er wordt een teleologische draai gegeven aan de religie: God heeft een welbepaald plan met de mensheid. Zij beschuldigden ook de wetenschap om het atheïsme niet te promoten, de schuld ligt bij de filosofiekringen. De kritische hypotheses van deze kringen hellen over naar arrogantie en maakt van elke mens een God. Ook wordt er een zeer moderne visie gegeven over de ‘metafysica’: alle natuurwetten moeten teruggebracht worden naar 1 kosmische wet om het geheel van de empirische kennis te snappen. Maar de Saint-Simonisten leggen juist die rol weg voor God, en niet voor de hedendaagse materialistische visie (de zoektocht van Stephen Hawking: Grand Unifying Theory).

Wanneer Saint-Simon overschakelt naar het socialistisch denken, realiseert hij zich ook dat het christendom failliet is als machtsfactor in het moderne Europa. Het Christendom heeft tekort geschoten om wezenlijke verschillen door te voeren. Zijn volgelingen accepteren dit verlies niet, wat een breuk betekent in de continuïteit van de leer. Er is een tweespalt tussen het atheïstische scientisme/technocratie & de christelijke technocratie.

5. Voorloper van een verenigd Europa

Saint-Simon besefte dat er alleen door het internationalisme een geslaagde verandering kon gebracht worden in de maatschappij. Onder Napoleon was hij een hevige verdediger van zijn unificatie van het Europese vasteland, iets wat blijvende indruk zou nalaten op zijn denken. Toen het Congres begon in 1814, riep hij alle diplomaten op om een Europese confederatie te vormen: het moest eenheid brengen in het eeuwenlang geteisterde Europa, de Verlichting zou de leidraad worden in het Nieuwe Europa. Geen oorlogen meer tussen natiestaten, maar een globalisering van een cultureel eenheid binnen ons continent. Hij zag een parlementair stelsel onder de hoede van de wetenschap, waar deskundigen de noodzakelijke beslissingen zouden nemen. Dit had een immense impact op de academici, maar het was de tijd van reactionisme, niet van progressiviteit. Het Ancien Régime zou wederom worden geïnstalleerd onder de Bourbons, de Napoleons, etc…

6. Auguste Comte: de positivistische school

In de inleiding werd al vermeld welke de verschillen waren tussen de 2 voornaamste technocraten: Saint-Simon was duidelijk een proto-socialist, Comte bleef hangen bij zijn visie over het liberaalconservatisme met de meritocratie als voornaamste uitgangspunt. Ook vestigde Comte zijn aandacht op de noodzakelijkheid van een sterke hoeksteen van de samenleving: het gezin moest als morele parameter worden genomen om met dezelfde ethiek de gehoorzaamheid af te dwingen voor de staat. Hij was voorstander van “orde en vooruitgang”. De theoretische wetenschap zou zich nestelen in de samenleving, gebaseerd op de empirie volgens de werkmethode van de fysica.

Hij ontwierp een wet van vooruitgang, bestaande uit 3 stadia van menselijk denken:

1. Theologisch stadium: onverklaarbare fenomenen krijgen een bovennatuurlijke context; het onzekere van het waarneembare krijgt een concrete uitleg binnen de voorstellingswereld van het individu.

Onderverdeling in: a. Fetisjistische fase, waarbij wordt geloofd in de natuurkrachten, geesten en magische voorwerpen. Hier mag gesproken worden over de natuurvolkeren.
b. Polytheïstische fase, de krachten gepersonifieerd en er wordt een rijk der Goden gecreeërd, Grieken & Romeinen.
c. Montheïstische fase, de krachten worden toegeschreven aan 1 almachtige god, bv. het christelijk geloof.

2. Metafysisch stadium: verschijnselen worden verklaard door abstracte begrippen: de ziel en de rede, humanistische termen, nemen een centrale plaats in. Ook bij de Grieken werd de verklaring gezocht bij een substantie, een metafysische vorm, levensbeginsel, teleologische verklaring, atomistisch denken, etc… Er is geen personificatie meer van het Absolute. Ook het noodlot zou hier kunnen worden ingedeeld, een centraal gegeven binnen de Griekse tragedies.

3. Positivistisch stadium: verschijnselen worden verklaard door andere, door empirie worden er onderling relaties gelegd en geformuleerd in wetten. Er is een duidelijk evolutionisme, waar dit stadium als eindpunt wordt beschouwd. De onderzoeker kan ook de positivistische halte beschouwen als ene radicale concretisering van het verlichtingsdenken.

De wetenschappen krijgen een rangorde volgens de snelheid dat ze het positivistisch ideaal bereiken: Wiskunde-astronomie-fysica-chemie-biologie-sociologie. Het maatschappijdenken blijkt dus het eindpunt te zijn.

In zijn sociologische visie bekijkt Comte de wereld als een verzameling van individuen. Dit gaat in tegen het Verlichtingsdenken, waar het individualisme belangrijk is. De sociologie moet de werkelijkheid doorgronden en formuleren in wetmatigheden. Deze formuleringen bestaan uit regels over a. de maatschappelijke orde: het bevat de studie over de grondslagen van die sociale orde, een gemeenschappelijk stelsel van opvattingen en ideeën, bij een consensus kunnen de verschillende maatschappelijke eenheden een functie hebben binnen hun leefwereld. het gezin en de staat zijn de voornaamste sociale eenheden, waaronder collectiviteit moet gepromoot worden. b. Sociale dynamische wetten: hierbij wordt getracht de variabelen te verklaren, hoe en waarom de maatschappij evolueert. De westerse samenleving bevindt zich dan logischerwijs in een overgangsstadium om zo te komen tot de ultieme positivistische bewerkstelliging. De socioloog moet deze overgang vergemakkelijken, het proces moet door hen geleid worden.

Belangrijke opmerking: dit zal de uitlijning van de historiek van de technocratie voorgoed bepalen: Comte heeft alleen oog voor het collectief organisme, waarbij het moet gehoorzamen aan constructies om de orde te bewaren. Er mag gerust beweerd worden dat dit totalitaire kantjes heeft. Hij elimineert dan ook zeer bewust elke socialistische inbreng van Saint-Simon in de technocratie, waardoor er een vals revisionisme wordt gecreëerd. Er zijn talrijke overeenkomsten met een ander gekend conservatief denker, namelijk Hegel. Allebei zijn ze overtuigd van de suprematie van hun contemporaine wereld, alleen zocht Hegel zijn heil in het christendom als overkoepelende ideologie. Comte bekijkt zijn systeem als een soort godsdienst van de mensheid met de hiërarchie van de kerk. Ondanks dat hij een conservatief was, vindt de onderzoeker de relatie met de Vrijmetselarij niet toevallig. Huxley beschreef dit positivisme als volgt:”een katholicisme zonder christendom”.

7. Conclusie

Het christendom, als regulerende instantie om klassenconflicten te vermijden, faalt; het liberalisme, waarbij de burgerij onder de vorm van industriëlen het voortouw neemt, weigert door klassenegoïsme & winstbejag de maatschappij verder te ontwikkelen. Zij heeft wel het kapitaal om de staat naar een volgend niveau te tillen, maar zij verliest haar positie door kortzichtigheid en onwetenschappelijke methodes + zij weigert het egalitarisme aan te nemen omwille van dezelfde redenen.
De enige overblijvende mogelijkheid om de maatschappij technologisch verder te stuwen, is door deze onder de vleugels van de wetenschap te plaatsen: alleen academici en deskundigen kunnen de juiste beslissingen nemen, omdat zij niet gehinderd zijn door enige economische eigenbelangen. De technocratie zal de enige mogelijke weg zijn de komende eeuwen, want andere ideologieën schieten dus duidelijk tekort, om de complexe materie omtrent kennismaatschappij in zijn volledigheid te snappen.

Brandend actueel? De onderzoeker kan alleen maar registreren dat de antipolitiek binnen het huidig politieke landschap groter en groter wordt. Enige gelijkenissen met de jaren ’30 zijn niet ver weg: het gevoel van een politieke malaise, het best verwoord door ‘Die Untergang des Abendlandes’ van Oswald Spengler: “Only the sick man feels his limbs. When men construct an unmetaphysical religion in opposition to cults and dogmas; when a "natural law " is set up against historical law; when, in art, styles are invented in place of the style that can no longer be borne or mastered; when men conceive of the State as an "order of society" which not only can be but must be altered - then it is evident that something has definitely broken down. The Cosmopolis itself, the supreme Inorganic, is there, settled in the mdist of the Culture-landscape, whose men it is uprooting, drawing into itself and using up.4 Een staat of een ideologie kan alleen maar bestaan als de onderdanen er een verwantschapsgevoel mee kweekt; het sociale contract tussen volk en de heersers, verwoord in Hobbes’ Leviathan, is nooit weggeweest. Spenglers boek, gecombineerd met het Nietzschiaanse idee van ‘Die Umwertung aller Werte’, heeft een ironische bijklank gekregen in de huidige maatschappij: doordat het individu geen raad weet met zijn verworven vrijheid, grijpt hij terug naar de aloude irrationaliteit. Onzekerheid knaagt aan zijn ziel, de verlossing moet komen van agitatoren, niet van religie of oude structuren, omdat ‘God nu eenmaal dood is’. Dit wordt gecombineerd met subjectieve waarden zoals racisme, waardoor extreem-rechts weer vrij spel krijgt in onze maatschappij. “For us, however, whom a Destiny has placed in this culture and at this moment of its development--the moment when money is celebrating its last victories, and the Caesarism that is to succeed approaches with quiet, firm step--our direction, willed and obligatory at once, is set for us within narrow limits, and on any other terms life is not worth the living. We have not the freedom to reach to this or to that, but the freedom to do the necessary or to do nothing. And a task that historic necessity has set will be accomplished with the individual or against him.”4 Michel Houllebecq heeft zeer raak geanalyseerd hoe de mens blijft kleven aan zijn inherent conservatisme, of dat hij zich buitenzinnig zal laven aan de geneugten van het hedonisme.5 Houllebecq ging ook terug naar de technocratische waarden van Comte, en dus onlosmakend naar het geloof in de wetenschap van Saint-Simon. Het grootste probleem om dit idee te verkopen, is het feit dat het conservatisme omslaat in angst voor het onbekende: de vrees voor een scenario zoals die van ‘Brave New World’ van Aldous Huxley blijft latent aanwezig bij de massa. Wetenschap wordt door hen bezien als een sektarische genootschap, het ‘Ivoren Toren’effect is gemakkelijk als argument aan te halen. En toch zal alleen door technocratisch denken deze maatschappij evolueren naar een volgend stadium: partijpolitiek heeft de laatste decennia het extreemrechtse gevaar gevoed, het wordt tijd dat deskundigen de problemen bij de wortel aanpakken: het mag dan niet een warm en menselijk gevoel uitstralen, efficiënter zal het des te meer zijn. Het gaat niet om het democratisch altaar, waarvoor zoveel jongemannen hun leven hebben gegeven, maar hoe de maatschappij zal evolueren. Zal de massa teruggaan naar het opgeleefde gevoel zoals in het interbellum, of zal zij eindelijk haar aangeboden kansen grijpen? Noch een neoliberaal systeem, dat pretendeert het ultieme vrijheidsgevoel te verschaffen (de uitschakeling van het middenveld in het naoorlogse Europa heeft deze economische ideologie alleen maar versneld doen toenemen, de massaconsumptie is de nieuwe religie!), noch het reactionair conservatisme zal de uitkomst bieden. De recente ‘Derde Weg’gedachte borduurt simpelweg voort op deze platgetreden paden, alleen met een luguber karakter. De 19deeeuwse gedachten, getransformeerd in modern ‘Links’ en ‘Rechts’, zijn gekomen aan een eindpunt. Het is dan ook met een goed gevoel voor ironie, dat de onderzoeker teruggrijpt naar één van haar grondleggers; tegelijk bezit de Saint-Simonistische technocratie alle eigenschappen om snel en efficiënt te reageren op deze snelevoluerende maatschappij: ze houdt rekening met de zwakkeren en tegelijk focust ze zich op wat morgen mogelijk kan zijn. Het internationalisme krijgt hierbij ook een nieuwe betekenis: het is geen toeval dat juist de term ‘globalisatie’ toeslaat, deze wereld is al op een rare manier eengemaakt. De invulling zal de cruciale factor worden. De oligarchie van enkele multinationals dicteren nu de snelheid van technologisch denken, een zaak dat geen enkele academicus kan toejuichen. Daarom dat ook het socialisme onder een nieuwe vorm toekomst krijgt: de loskoppeling van economische winstverwachtingen en de technologische ontwikkelingen. Alleen een universele structuur zal een uitkomst bieden, maar het mag niet in handen vallen van enkele coörporations. Ongemerkt legt zij haar wil op, de politieke wereldagenda wordt door haar bepaald (bv. Internationaal Monetair Fonds). Zoals Saint-Simon zei:”Met het geweten is geen vergelijk mogelijk.” Een ethicus zoals hij zou nooit akkoord gaan met het winstbejag van deze wolven, Archimedes zal zoals een Feniks herrijzen uit zijn as.

15:35 Gepost door Technocraat | Permalink | Commentaren (4) |  Facebook |